Faith logo
Gelovig

Velen beroemen zich - bewust op onbewust - op het feit dat zij "geloven". Ze beweren dat God mensen "om niet" redt en zondaren genade bewijst. Toch laten ze daar meteen op volgen: "Maar je moet wél geloven!". Daarmee geven ze aan dat ze niet hebben begrepen wat genade betekent. En ook niet beseffen wat de Bijbel bedoelt met het woord geloven. Een wijze Schot gaf eens het volgende commentaar:

‘Ik denk dat veel verwarring is ontstaan doordat men de woorden “Geloof in de Here Jezus en u zult behouden worden” (Handelingen 16:31) heeft beschouwd alsof die zelf het evangelie zouden zijn…  Overweeg slechts het volgende: Indien het evangelie werkelijk uit deze bekendmaking zou bestaan, dan betekent geloof schenken aan de blijde boodschap dat men "ervan overtuigd is dat wie in de Here Jezus geloven gered zullen worden”.  “Nou”, zegt u misschien, “ik meen inderdaad dat wie in de Here Jezus geloven gered zullen worden”. Maar dan rijst er een andere vraag: “Geloof ik zélf in de Here Jezus? Als ik dat doe, ben ik gered, maar als ik het niet doe, ben ik niet gered”. Dan slaat de twijfel toe: “Hoe kan ik weten of mijn geloof oprecht is? Is dat gebleken uit mijn daden? Ben ik het licht dat ik heb ontvangen nooit ongehoorzaam geweest?”  Het zal duidelijk zijn dat onze geest op deze manier geen vastheid kan vinden. We zullen altijd in onszelf blijven wroeten. Maar veronderstel eens dat het resultaat van het zelfonderzoek zou zijn: “Ja hoor, ik ben er absoluut zeker van dat ik in de Here Jezus geloof”.  Dan zeg ik, dat wie zijn hoop ontleent aan het feit dat hij gelooft, even ver van de geest van het evangelie verwijderd is als de man die zijn hoop ontleent  aan aflaten die hij heeft betaald of aalmoezen die hij heeft gegeven. Wanneer iets in mijzelf de bron van mijn troost is, staat het bij voorbaat vast dat ik uit een leeg vat tap.

Het is onnatuurlijk om te veronderstellen dat ik vrede of kracht of heiligheid zou kunnen ontlenen aan de wetenschap dat ik een bepaald feit geloof,  hoe waar of belangrijk dat feit ook mag zijn. Het feit zelf kan een troost voor mij wezen maar niet de wetenschap dat ik het geloof. Het goede nieuws is niet dat “wie gelooft gered zal worden”, maar “Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt” (Handelingen 13:38)

Laat de lezer deze twee mededelingen met aandacht beschouwen en die scherp onderscheiden. Indien de eerste het evangelie is, dan bestaat de blijde boodschap uit niet meer dan een beloning van geloof. Indien de tweede de kern is, dan is het goede nieuws een betoning van Gods onuitsprekelijke liefde voor de mensheid. In het eerste geval meent men dat er een belofte gegeven is aan wie gelooft. Daar kan niemand enige troost aan ontlenen - behalve mensen die menen dat ze het ware geloof bezitten. In het tweede geval gelooft men dat God zondaren vergeeft en dit door Christus laat verkondigen. Dát geloof zal allen troost bieden die weten dat zij zondaren zijn en die ernaar verlangen om van zonde te worden bevrijd….

Velen die op zoek zijn naar vrede vragen zich af: “Heb ik geloofd?” in plaats van zich af te vragen: “Wat valt er te geloven? Heeft God werkelijk voorzien in vergeving van zonden voor de hele wereld?” Toch is dat laatste beslist de kwestie waarop het aankomt. En, God zij geloofd, het antwoord steunt op de onveranderlijkheid van God en niet op de wisselende gemoedstoestand van een zwakke sterveling. “HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar (de schuldige) houdt Hij zeker niet onschuldig” (Exodus 34:6-7). Dat is Zijn naam voor altijd. Wie Zijn naam kennen stellen hun vertrouwen op Hem, want Hij zal wie Hem zoeken nooit beschamen. Deze naam van God is de sterke toren waarnaar de rechtvaardige vlucht en waar hij veilig is’.

(Thomas Erskine [of Linlathen], The Unconditional Freeness of the Gospel, Edinburgh 1870, pp.103-105)

Terug naar de startpagina