Cicerbita
Zieleslaper

Toen we ingebonden jaargangen van een tijdschrift doorbladerden troffen we een uitdrukking aan die we nog niet kenden.  Hebt u ooit van "zieleslapers" gehoord? Na enig onderzoek bleek dat het ging om gelovigen die menen dat een gestorvene zich van het interval tussen sterven en opstanding niet bewust is. Een opvatting die volstrekt Bijbels is. Want de Bijbel noemt de gestorvenen "hen die slapen". En volgens Gods Woord weten de doden niets en kunnen zij de HERE niet loven. Zie Jesaja 38:18-19, Prediker 9:5, Psalm 6:6, Psalm 30:10, en 1 Thessalonicenzen 4:14.

“Wat troost geeft u de opstanding des vlezes?" vraagt de oude Heidelberger in Zondag 22. Die vraag is onschriftuurlijk, want “vlees” staat niet op.  Gelukkig maar, want in ons “vlees” woont geen goed (Rom.7:18) en het kan zich niet aan God onderwerpen (Rom.8:7).  De vraag moet luiden: “Wat troost geeft u de opstanding der doden?” Het antwoord is heel eenvoudig: ”Als er geen opstanding der doden was, dan was het over enkele jaren voorgoed met ons afgelopen!” Maar zo simpel is het volgens de Catechismus niet. Onze ziel wordt na dit leven volgens de Catechismus “van stonden aan” (d.w.z. meteen) “tot Christus, haar Hoofd, opgenomen”. “Dit ons vlees” wordt (later) opgewekt om “weer met onze ziel verenigd” te worden.

Voor deze gedachte beroept men zich op de volgende Bijbelteksten:
1. Lukas 23:43: Zodra een gelovige de laatste adem uitblaast, is deze bij Jezus in het paradijs.
2. Johannes 11:26: Wie in Jezus gelooft, zal nooit sterven. De ziel van een gelovige gaat blijkbaar naar Hem toe.
3. MattheŁs 10:28: Wanneer vijanden ons lichaam doden, dan blijft onze ziel bestaan.

We antwoorden hierop:

1. Omdat de oorspronkelijke Griekse tekst geen leestekens kende, kan Lukas 23:43 ook als volgt worden vertaald: “Voorwaar, voorwaar, HEDEN zeg Ik u: Gij zult met mij in het paradijs zijn”. Heden: nu jij ondanks wat je ogen zien en je overige zintuigen waarnemen, vertrouwt op Mij en op Mijn rijk dat komt. Nu je het bovennatuurlijke, door God gewerkte geloof, ten toon spreidt. Nķ zeg Ik: de deur van dat rijk is voor jou geopend. Al zie je vandaag niets anders dan dood en verderf, je zult eten van de boom van het leven. In het paradijs.

2. In Johannes 11:26 staat niet, dat wie in Jezus gelooft “nooit zal sterven”. Er staat dat wie in Hem gelooft “niet zal sterven in de eeuw”. In vs.25 belooft Jezus dat wie in Hem gelooft “zal leven” (toekomende tijd), “ook al is hij gestorven”. Hij spreekt niet over een voortbestaan van de ziel na de dood, maar over de opstanding ten leven aan het begin van de toekomstige eeuw. Wie in Hem gelooft zal op dat moment mogen opstaan, zo iemand “zal leven". En een gelovige die dat opstandingsleven heeft ontvangen, zal “in de (toekomstige) eeuw niet meer sterven”. Jezus wekte Lazarus op om de heerlijkheid van God te tonen (vs.40). God kan het niet-zijnde tot aanzijn roepen, dus de doden levend maken. Hij zal dit doen zodra “de eeuw” aanbreekt, de “ Olam Ha-Ba”.

3. In MattheŁs 10:28 gebruikt Jezus een bijzonder woord voor “doden”. Feitelijk staat er: “Heb geen ontzag voor hen die het lichaam terechtstellen, maar niet bij machte zijn om de ziel terecht te stellen, heb ontzag voor Hem die bij machte is om zowel lichaam als ziel te doen omkomen in Gehenna”.  Hij plaatst het vonnis van aardse rechters tegenover het vonnis van de hemelse Rechter. Over een “onsterfelijke ziel” sprak Hij beslist niet – God zal immers de ziel van sommigen samen met hun lichaam “ombrengen”, “verderven”, of “tenietdoen”! Aardse machthebbers konden Jezus’ discipelen vanwege hun geloof ter dood brengen, maar Zijn discipelen zouden het leven van de toekomstige eeuw ontvangen. Gehoorzaamheid aan God is belangrijker dan gehoorzaamheid aan de aardse overheid. Want wie Gods woord verachten, zullen wanneer Zijn rijk komt, in Gehenna worden geworpen en in de toekomstige eeuw tot afgrijzen zijn, d.w.z. dood blijven (Jes.66:24). "Wees God meer gehoorzaam dan de mensen" zei Jezus, waarmee hij aansloot bij 2 MakkabeeŽn 6 en 7.

De bewering dat wie dood gaat niet echt sterft, is een leer van demonen (vgl. Genesis 3:4). Volgens de Bijbel sterven zielen (EzechiŽl 18:4,20). Indien er geen opstanding der doden was (NB "der doden", NIET "des vlezes"!), dan waren ook wie in Christus ontslapen zijn, verloren (1 Korinthe 15:13-18). Zonder opstanding was het voorgoed met ons afgelopen - niet alleen met ons lichaam maar ook met onze ziel.

Terug naar de startpagina